OORLOG EN VREDE

 

November 1941, het ASC en de AVSV heffen zichzelf op omdat ze niet akkoord gaan met het Duitse bevel tot royering van hun joodse leden. Deze brief, gestuurd aan Anneke (jaar '37), is een direct gevolg van de maatregel:

 

↓↓↓↓↓↓↓

Oorlogservaringen van Anneke (jaar '37). Interview en tekst: Sabine (jaar '82). De complete tekst is verschenen in 60 jaar vrij, leden van het ASC/AVSV en de tweede wereldoorlog, een uitgave van het ASC/AVSV (2005):

Anneke Hooymeyer woont nog in hetzelfde huis als toen. Twee steile trappen op, twee kamer en suite in de Johannes Verhulststraat. Binnen liggen hoge stapels kranten, literatuur en klassieke talentijdschriften. Sediment van een lang leven zonder echtgenoten of andere zandbanken van het intellect. In februari 1942 maakte ze deze kamers helemaal leeg.

lustrumviering bij Anneke thuis, 1942

Ze plaatste twee lange tafels tussen de schuifdeuren voor het vijfde lustrum van haar dispuut Arktos. Arktos was belangrijk. In de oorlog, toen de sociëteiten hun deuren al lang hadden moeten sluiten, ging Arktos gewoon door. Veel leden waren al afgestudeerd en niet meer actief in het AVSV.

Maar van Arktos bleven ze lid. Joodse dispuutgenoten mochten in 1942 bijna nergens meer komen van de bezetter. Daarom was het lustrumdiner deze keer niet in een zaaltje maar bij de praeses thuis, zodat iedereen erbij kon zijn.

Anneke Hooymeyer kwam aan in 1937, samen met Hanny Levy, een jaar nadat ze begonnen was met haar studie klassieke talen. Ze vond de groentijd geinig.

'Alles wat er in je zat, werd uit je gehaald. Je moest je autobiografie schrijven, samen een toneelstuk maken, dat soort dingen.'

Buiten de groentijd waren er tweewekelijkse bijeenkomsten bij de leden thuis. Eén bijeenkomst ging niet door. Die was gepland op 10 mei 1940.

'De inval was een ontzettende schok. ’s Morgens vroeg hoorden veel mensen er al van op de radio. We luisterden naar de proclamatie van de koningin. Je kwam bij elkaar met je familie en je buurt om erover te praten. Iedereen was zeer opgewonden. Eten was bijzaak.'

'We wisten niet meteen hoe het af zou lopen. Je had de krankzinnige illusie dat we de Duitsers van ons af zouden slaan. Er werden vreselijk dappere dingen gedaan op de Grebbeberg. Ter afleiding kwamen we bij elkaar en praatten over wat er in een oorlog met je gebeuren kan. Ter afleiding hielden we brandblusoefeningen. ’s Avonds moest je alles pikdonker maken. "Broek om de lamp" noemden we dat. Naast het raam zitten de punaiseprikken nog in de muur.'

Het begin

Na de eerste oorlogsdagen ging het leven weer gewoon door. In het begin waren er niet zo veel bedreigingen. De meeste mensen bleven rustig. Behalve die paar die zich meteen van kant maakten, zoals de Amsterdamse wethouder E. Boekman en de schrijver Menno ter Braak.

'Alles ging ontzettend geleidelijk. In het begin werd ons wijsgemaakt dat er met de joden in Nederland niets gebeuren zou, want in Nederland vormden de joden zogenaamd geen probleem. Dat veranderde binnen een paar maanden. In Leiden werden in oktober enkele joodse hoogleraren ontslagen, onder wie professor Meyers. Daarop hield professor Cleveringa zijn beroemde protestrede. Hij was een studievriend van een oom van mij, dus ik voelde me daar nogal bij betrokken. Toen de Leidse universiteit na Cleveringa’s rede werd gesloten, kregen we een overloop van Leidse studenten naar Amsterdam.'

(…)

'De mensen die je kende waren anti-Duits. Dat was vanzelfsprekend. We hebben een paar groenen gehad van wie we niet wisten of die goed of fout waren. Ik ben eens naar een meisje uit een heel betrouwbare familie toegegaan om haar te waarschuwen voor een nieuw iemand van wie we ’t niet wisten. Die antwoordde: "O, ’t is helemaal okee hoor, ik heb heel vaak bij haar ouders naar de Engelse radio geluisterd." Een clandestiene radio was een teken dat iemand "safe" was.

Iedereen die anti-Duits was trok naar elkaar toe. Dat verstevigde de band. Binnen het dispuut wist je wel precies waar je aan toe was. Ik heb wel mensen gekend die in het verzet zaten. Ik niet, hoor. Ik heb alleen een paar wapens in huis gehad. Dat heb ik maar niet aan mijn moeder verteld. En toen ik zelf het tweede deel van mijn doctoraal voorbereidde in juni ’42, zocht ik onderduikadressen voor joden. Ik was daar zo intensief mee bezig dat ik van dat examen niet veel terecht heb gebracht. Een van de examinatoren, mevrouw Boer-den Hoed van Scandinavische talen – ik deed als bijvak oud-Noors – zei: "Ik had nog wel te berde willen brengen dat je zo druk voor die joodse mensen bezig bent geweest, maar er zat een NSB-er bij dus ik durfde geen woord te zeggen."'

Ontsnapt in een wasmand

Joodse vriendinnen mochten steeds minder. 'Dat was natuurlijk deprimerend. Veel joodse mensen bleven toch optimistisch. Ze wilden niet direct het ergste geloven. En dat kon ook, want het was allemaal niet zo duidelijk in die tijd. Ze zochten houvast in alles. Als bepaalde dingen niet bij name genoemd werden, dachten ze: o, het valt dus wel mee. Het is natuurlijk niet meegevallen achteraf.'

Annekes vriendin Hanny Levy kreeg ook een oproep om naar Westerbork te gaan. 'Het kwam niet in ons op dat ze misschien maar niet moest gaan. Niet iedereen realiseerde zich dat het zo verschrikkelijk slecht zou aflopen. Met een paar vriendinnen en met haar moeder zijn we heel druk voor haar bezig geweest. Ze kreeg een lijst van dingen die ze mee moest nemen. Daarop stond ook wasbaar maandverband, heel ouderwets. Het bestond nog wel maar het werd niet zo veel meer gebruikt. Iemand diepte dat juichend op uit een of andere koffer.

Ze is naar Westerbork gegaan. We hebben haar nogal wat boeken meegegeven, daar heb ik natuurlijk nooit meer iets van teruggezien. Uiteindelijk is ze ontsnapt in een wasmand.

Een jaarclubgenote van mij was ook joods. Ze heette Hetty de Marcas. Eerst mocht ze dit niet, toen mocht ze dat niet. Ze mocht niet naar het park, niet naar de bioscoop, ze mocht op bijna geen enkele plek meer komen. Ze woonde in een heel mooi huis op de Viottastraat. We zaten in de tuin, ze had een heel mooie witte jurk aan, we praatten over van alles en nog wat. Op een goed moment zei ze: "O Anneke, ik geloof dat ik een oproep heb." Ze pakte de post van de mat en het was zo.

Ze zei: "Mag ik jouw fiets lenen?" Zij had die natuurlijk allang niet meer. Ze ging zelf naar haar vader, die bij de Joodse Raad werkte, en vroeg of ik bij haar onderduikadres wilde gaan zeggen dat ze die middag zou komen. Dat heb ik dus gedaan. En daar vond ik mijn fiets terug. Ze ging van het ene onderduikadres naar het andere.

Met Hetty is het goed afgelopen. Haar vader en haar zusje zijn wel omgekomen. Het lukte niet iedereen om de hele tijd stil te zijn en binnen te blijven. Noch die vader noch dat zusje hebben dat volbracht.'

De groentijden gingen gewoon door bij mensen aan huis. Om acht uur ’s avonds was het spertijd. 'Twee minuten daarna reden de Duitsers vanuit de nabijgelegen Ortskommandantur op motorfietsen door de straten, luid knallend. Dan moest je binnen zijn.' Wie niet op tijd naar huis ging, zat vast tot de volgende ochtend vroeg. 'Marjolein Heyermans, de jongste dochter van Herman Heyermans, heeft dikwijls bij me gelogeerd. Noodgedwongen, maar wel gezellig. Mijn moeder was heel lief. Volgens mij waren alle moeders lief in die tijd.'

(…)

Eten

De voedselvoorziening ging steeds meer achteruit. 'Als je met het dispuut bijeen kwam had elk iets bij elkaar gescharreld. De een nam een blik biscuits mee, de ander wat chocola. Traditioneel was er bij Arktos altijd bietensla. Die werd gehandhaafd, al zat er hoe langer hoe minder in. Dat was een principekwestie.'

Annekes zuster had een verloofde die het laatste jaar van de oorlog bij hen inwoonde. 'De familie van die verloofde had een warenhuis in Alkmaar, en dus spullen om te ruilen. Ze stuurden ons groente per boot vanuit Alkmaar. Dat kon je dan hier aan een gracht gaan ophalen. In de laatste winter hebben ze ons zelfs nog winterjassen gestuurd. Spruyt heetten ze en ze waren allerliefst voor ons. Zij hebben ervoor gezorgd dat wij niet doodhongerden. Maar niemand had genoeg. In oktober 1944 viel ook het gas uit. Toen hebben we een paar dagen van de gaarkeuken gegeten, maar dat vonden we zo vies. Marjolein Heyermans at al langer van die keuken. Als mijn moeder vroeg wat ze die dag gehad hadden, antwoordde ze: "Soep, grijze soep. Mammie noemt het cementsoep." Omdat dat eten zo vies was gingen we maar weer thuis koken. Elke ochtend ging ik buiten steenkool kleinhakken voor het noodkacheltje. De winter was zo stervenskoud, we waren dolblij als we om vier uur de kachel aan mochten doen. Daar werd meteen thee op gemaakt, geen echte thee natuurlijk, en we hadden meel om bij de bakker brood te laten bakken.'

Bevrijding

Het leek of er geen einde aan de oorlog zou komen. Het verenigingsleven zakte totaal in. Toen de bevrijding eindelijk kwam was Hooymeyer tot tranen toe bewogen. 'Je was zo blij dat de dreiging weg was, dat er niemand meer vermoord werd. En dat je allerlei gewone dingen weer kon doen. Je had geen honger meer want je kreeg allerlei extra dingen als blikjes vlees en chocola. Maar er waren nog heel lang allerlei produkten op de bon. Mijn vader die hield zo van chocolademelk. Dat kon ik alleen maar voor hem maken als ik chocolaatjes smolt, want er was geen cacaopoeder. Er waren ook geen eieren, maar wel eipoeder en melkpoeder. Alles was van poeder en alles was op de bon.'

bevrijdingsfeest Nieuwmarkt (foto: Nationaal Archief)

'Hanny Levy is teruggekeerd, gelukkig. Lot Konijn, een andere Arktosiet, was tijdig weggekomen naar Amerika. Maar er waren ook anderen. Het zusje van Hetty. Ik herinner me ook Hannie Schaft. Ik weet nog hoe ze bij Arktos op groenenbezoek kwam. Ze had heel donker haar, ze was heel stil en schuchter en ze heette toen nog Jo. Ze is niet bij Arktos gekomen, ik weet niet meer of wij haar niet wilden of zij ons niet. Enfin.'

'Een neef van mij studeerde in Wageningen. Samen met een vriend van mij probeerde hij in januari ’45 naar het bevrijde deel van Nederland te komen. Hij is opgepakt en geëxecuteerd. Onderweg is hij nog naar binnen gehaald door mensen en die hebben ze nog goed onthaald met allemaal lekkere boterhammen. Zijn ouders hoorden het pas maanden later. Ze zeiden: dat waren de laatste lekkere boterhammen die hij gehad heeft.

Er was een neiging om alle narigheid van je af te zetten. Ik kende niemand persoonlijk die in een concentratiekamp had gezeten. Maar ik weet wel dat mensen die terugkwamen uit de Indische kampen, laat staan de jodenkampen, hun verhaal niet kwijt konden. Daar werd totaal geen aandacht aan geschonken.'

Anneke Hooymeyer werd niet meer actief in het AVSV. Ze was afgestudeerd, dus dat was verleden tijd. (...) Maar Arktos, dat bleef. 'De band tussen de oude Arktosieten is altijd ontzettend intens gebleven.'

In september was in de Bijenkorf de inauguratie van een paar honderd groenen, die in de oorlog niet geïnaugureerd konden worden. Een nieuwe generatie nam de fakkel over.


↓↓↓↓↓↓↓

Bestellijst voor het vijfde lustrum van 1942, gevierd bij Anneke thuis:

 

↓↓↓↓↓↓↓

Post van één van de zeven oprichtsters van Arktos naar aanleiding van het vijfde lustrum (vanaf een wel zeer Arktoïsch adres):

 

 

↓↓↓↓↓↓↓

Eind 1942 hield Arktos een zogenaamde 'contrafuif'. Het afsluitende Wilhelmus had een speciale bijklank in deze jaren:

 

↓↓↓↓↓↓↓

Menu contrafuif december 1942:

 

↓↓↓↓↓↓↓

Brief van Lot (jaar '32), die in de Verenigde Staten woont, aan Willemijn (jaar '91), ab actis van het 16e lustrum. Lot haalt herinneringen op aan o.a. de oorlog:

24 January 1997

Beste Willemijn,

Met liefde, en met vreugde tegelijkertijd heb ik je aankondiging met festiviteiten gelezen. En ik bedacht dat ik je toch even wilde laten weten wat Arktos voor mij heeft beteekend. Alhoewel ik niet kan komen, eenvoudig vanwege de afstand en ook natuurlijk omdat ik ietwat krakerig ben, vanwege mijn leeftijd.

Ik ben aangekomen in 1932, in de tijd van Saar de Graaf-Beyerman, van Willy de Buy Wenninger, van Zus Tjeenk Willink, van Magda te Winkel, van Hannie Thoden van Velzen, van Machteld Mijnlief, van Tetie van Sloten etc. Een hechte vriendschap overgoten met gezelligheid en gein, heeft ons al jaren vastgeklonken. En toen brak de oorlog uit, en wij, mijn man en ik moesten toen onderduiken. Hetgeen voor drie jaar bijna, prima gelukt is, dank zij de hulp van velen, maar vooral van Leida Schot, een van mijn allerbeste vriendinnen, en Anneke van Zwet, die dank zij haar man, Gerard van der Mey, hielp met eten, aan het einde van de oorlog. Wij zijn er door gekomen, met onze piepkleine zoon, die we eerst via Saar, maar later via Leida, hebben kunnen ‘geven’ aan de resistance van de Vrije Universiteit. Geholpen door Arktosieten. Zooals je wel begrijpt, zijn de banden met ons dispuut dus altijd heel nauw aangebleven.

Wij vierden net in ons dorp, onze zestigjarige bruiloft. Voor die gelegenheid zijn er vele familieleden overgekomen, en oude vrienden er nog bij, (totaal 20) en een daarvan was Saar de Graaf-Beyerman… Ook van de oude doos. En ziet, Saar kwam uit het vliegveld, Kennedy Airport, en speldde op mijn jas, nadat we malkander om de hals vielen een beertje op. Dat beertje was een leuke origineele speld, die ze net had gevonden in de Beethovenstraat. Ik draag die jurk graag, dolgraag, want mijn beer zit er veilig op, en ik denk dus graag aan het verleden.

Mijn man werkte in de Byenkorf, en toen wij na de oorlog in het leven terug kwamen, konden wij, feitelijk doordat we zooveel verdriet om ons heen zagen niet goed in Amsterdam blijven. Met herinneringen aan velen natuurlijk die er niet meer waren.

Wij zijn naar Port Washington gegaan in 1947, en wonen daar nog. Wij kregen tot ons geluk er nog een zoon bij, en nu hebben wij negen kleinkinderen, (drie kleindochters zijn getrouwd, en ik moet van hen hun mannen bij onze kleinkinderen optellen), en wij hebben vier achterkleinkinderen, die we veel zien, want enkelen wonen in ons dorp.

Wij zijn samen in zaken gegaan en wonen met vele vrienden dolgezellig hier. Want onze kinderen zijn nog steeds in de ‘buurt’.

Een oude Arktosiet, vriendin was Magda te Winkel en haar nichtje, Wies de Buy Wenninger die getrouwd is met Pieter Blomjous, hebben hier ook gewoond, en wij zijn zoo dol op mekaar geworden, dank zij de beren relatie, dat ook Wies Blomjous naar Amerika is gekomen vorige maand om ons te helpen feest vieren… Als zij op het lustrum komt, wat ik niet weet, dan kan zij mooi voor mij een glaasje op jullie drinken, en mogelijk mijn zegen, die groot is, over de oceaan op jullie uitgieten. Mogen jullie een uniek lustrum vieren. Dat gun ik jullie zoo van ganscher hart. Het zij zoo.

Lot


↓↓↓↓↓↓↓

‘Een wereld ging voor je open en ik vond alles leuk’. Een gesprek met Suzanne (’45) over Arktos tijdens de wederopbouw

tekst: Claartje (’98)

‘Als jullie vrijdag in de Doffer een oud vrouwtje met een stok zien, dan ben ik het,’ schreef Suzanne (’45) in de nazomer van 2010 op de Arktos-mail. En inderdaad liep zij met haar wandelstok – gelukkig woont ze om de hoek – naar Arktosieten-stamkroeg De Doffer, waar vele dispuutsleden zich hadden verzameld vanwege het ‘inslapen’ van Arktos. Suzanne moet de oudste zijn geweest die avond, de meeste aanwezigen waren decennia jonger dan zij. Ikzelf kon er helaas niet bij zijn, maar Suzannes mail bleef me bij. Ook omdat ze aan haar geestige aankondiging de volgende woorden had toegevoegd:

Terwijl A.R.K.T.O.S. slaapt zou een creatief lid met historisch besef kunnen proberen te schetsen hoe het is gekomen dat het Dispuut, de AVSV en de Tijdgeest uit elkaar zijn gegroeid. Wanneer is het begonnen (in 1945 was het een eer om erbij te horen) en hoe is het verlopen? Volgens mij een speciaal stukje sociale geschiedenis van breder belang.

Ik nam me twee dingen voor: Suzannes plan moest worden uitgevoerd, en wel in de vorm van een website, en haar verhaal moest op deze website komen te staan.

Er gingen wat jaren overheen, maar beide voornemens werden bewaarheid. De website werd gepresenteerd op de dies van 2013, en in de zomer van dat jaar bezocht ik Suzanne in haar statige appartement aan de Keizersgracht. We spraken over de bijzondere tijd waarin zij bij Arktos aankwam: enkele maanden nadat Nederland was bevrijd van nazi-Duitsland. Het land bevond zich in wederopbouw en het Amsterdamse corps was weer geopend na enkele jaren gesloten te zijn geweest uit verzet tegen de gedwongen royering van de joodse leden. Het was een tijd van wrok over de nazibezetting en verdriet om het verlies van dierbaren, maar ook van optimistisch vooruitkijken. Voor Suzanne had de wederopbouwtijd bovendien een speciale, persoonlijke betekenis: tijdens de bezetting had ze ondergedoken gezeten vanwege haar joodse afkomst. De onderduik vormde haar tegen wil en dank, en toen zij op haar twintigste werd bevrijd, stortte ze zich met volle overgave in het studentenleven.

Lid van Arktos

'Na de oorlog was je verbijsterd, hè. Je had een hele oorlog achter de rug. Een wereld ging voor je open en ik vond alles leuk. Maar ik was ontzettend blij dat ik juist door Arktos werd gevraagd. Het ging er ook niet zozeer om welke disputen jij leuk vond, het ging erom dat íemand je vroeg. Want toen ik aankwam, kwamen er drie jaren aan [vanwege de sluiting van het ASC/AVSV na het invoeren van de anti-joodse maatregelen, red.] en dat had als gevolg dat lang niet iedereen werd gevraagd. Maar ik dus wel, bij Arktos, op grond van mijn groenenopstel. Daar was ik heel trots op. Want Arktos vond ik het mooist, ja, en zeker achteraf was het dispuut goed voor mij. Ik heb snel gestudeerd, want ik had heel wat in te halen na de oorlog. Eigenlijk had ik als autodidact mijn kandidaats al bijna gedaan in de oorlog, met clandestiene boeken enzo. Ik was twintig toen ik in het corps ging. Maar ik had in de onderduik dus al een heleboel voorbereid en schoot door die studie heen. Dat was trouwens ook omdat ik het zo leuk vond. Ik zoog het op als een spons, had geen moeite met de studie. Ik ben dus niet zo lang actief geweest in het dispuut.

In mijn tijd waren de leden ook al eigenzinnige figuren. De ‘grande dame’ van de galeries Riekje Swart was een jaargenoot van me. Ze hield echter al snel op met studeren en wilde toen ook niets meer weten van Arktos. Ze begon haar werkende leven als personeelschef en kon alleen maar functioneren als ze daar met een taxi naar toe ging. Later verzamelde ze jonge kunstenaars om zich heen en daarin werd ze blijkbaar gewaardeerd, ze werd immers de grande dame van de galeries genoemd.

Arktos in 1945, nou, dat was toneel. In Arktos werd niet gehockeyed. Hockeymeisjes, dat was toch een ander soort. Arktos was van het begin af aan niet zo’n gezelschap van keurige meisjes. Marjolein Heijermans [dochter van toneelschrijver Herman Heijermans, red.] was degene die mij heeft uitgekozen. De zusjes Kropveld en ook anderen speelden veel toneel. Die mensen waren wel uitgesproken. Mijn vriendinnen waren Annelies Tobi, Isa Baschwitz, en ook wel Riekje Swart, toen ze nog studeerde.

Ik herinner me van het dispuutsleven niet iets speciaals. Degenen die in de toneelwereld zaten gaven de toon aan en dat was leuk. Die waren het meest aanwezig met hun toneelstemmen. Je kwam bij elkaar bij de mensen thuis, om de beurt. Er was geen NIA toen en we hadden ook geen dispuutshuis. Op welk tijdstip van de dag we bijeenkwamen, weet ik niet meer. Er werd wel veel gedronken, in ieder geval. Geen kopjes thee, neuh… Ik moet zeggen, het dispuut was nogal gericht op drank – dat komt ook in een van onze liedjes voor. We dronken wijn, en ook wel jenever. Maar het was geen dronkenmanstoestand hoor, dat ook weer niet. Iedereen vond het wel lekker.

Het lesbische in Arktos, dat wil zeggen dat provocatief lesbische, heb ik altijd moeilijk kunnen begrijpen. Maar ik weet ook niets van de lesbische opvattingen af. Mijn idee is dat iedereen iets vrouwelijks en iets mannelijks in zich heeft, en soms valt het de ene kant op, en soms de andere. Waarom zou je daar zo’n verschrikkelijke ophef van maken? Ik ben een echte jurist, hè. Het kan allebei.'

Oorlog en onderduik

'We praatten binnen Arktos of het corps niet zozeer over de oorlog, maar het was wel aanwezig hoor. Die generatie heeft natuurlijk veel meegemaakt. Joodse mensen, zoals ik, hadden ondergedoken gezeten – zoals Anne Frank, maar die was vijf jaar jonger dan ik, toen de oorlog uitbrak was ik vijftien. Ik wist voor die tijd niet dat ik een joods kind was, overigens.

Maar die generatie had dus in de oorlog dingen meegemaakt. En daar werd niet over gepraat. Dat begreep je van elkaar. Ik vind het ook helemaal niet leuk om daarover te praten, want er is niks over te vertellen – behalve dat het niet leuk was. Ik kan wel allemaal voorbeelden geven van de onderduik, maar iedereen kent die wel van Anne Frank. Daar is ontzettend veel over geschreven, daar hoef ik niets aan toe te voegen. In de onderduik had je maar één doel, namelijk dat je niet opgemerkt werd. Het doel was om jezelf onzichtbaar en onhoorbaar te maken. En ja, wat is daar nou van te vertellen. Het redde je leven, maar het was niet iets waar je wat aan hebt voor je leven. Dat je jezelf koest moet houden is ook niet iets wat een tiener zo ligt, hè. Het past niet bij die leeftijd. Het is alleen maar iets negatiefs. Ik ben eigenlijk geen tiener geweest, heb mijn puberteit gemist door de oorlog. Maar ik heb er ook wel iets aan gehad hoor, want ik kan overal tegen nu.'

Dingen onder woorden brengen

'Tijdens mijn corpstijd was ik voorzitter van de almanakcommissie en dat was samen met de mannen. Daar heb ik wel foto’s van en dan denk ik, goh, dat was met mannen. Maar toen had ik zelf ook al een vriendje. In die tijd was dat toch al wel normaal, hoor. Ik heb mijn echtgenoot ook in het studentenleven leren kennen, toen ik in de redactie van Propria Cures zat. Dat is toen zo’n beetje mijn milieu geworden. Die redactie had zijn eigen kring, daardoor leerde ik bijvoorbeeld de literatuur kennen. Dat sloot wel aan bij Arktos eigenlijk. Beide kringen waren eigenzinnig.

Voor Propria Cures schreef ik recensies, of artikelen naar aanleiding van iets actueels. Ik vond het altijd leuk om iets op te schrijven over wat zich voordeed. Maar ik schreef niet over politiek. Ik heb altijd het idee dat zodra mensen in de politiek gaan, het waardevolle verdwijnt. Omdat ze al gauw beginnen te zeggen wat er verwacht wordt van hun partij. Je eigen ideeën worden daaraan ondergeschikt. Dat is in feite tegengesteld aan Propria Cures en Arktos.

Ook mijn werk ging altijd gepaard met dingen onder woorden brengen. Ik ben begonnen bij het Departement van Justitie, daarna heb ik aan de universiteit gewerkt. Daar heb ik het milieurecht 'uitgevonden'. Toen de aandacht voor het milieu begon in de jaren zestig – de tijd van het boek Silent Spring [Rachel Carson, 1962, red.] en de Club van Rome – viel het mij op dat er veranderingen optraden in allerlei rechtsgebieden. Ik vond het ontzettend interessant dat een maatschappelijk verschijnsel invloed kan hebben op het recht. Daar ben ik later dus hoogleraar in geworden aan de UvA. Maar dat is toevallig hoor. Ik heb een klein talentje blijkbaar, het stelt niets voor.'

Ouders en kinderen

'Mijn ouders stimuleerden me om te gaan studeren. Mijn vader was ingenieur en mijn moeder had eindexamen conservatorium gedaan. Zij kwamen oorspronkelijk uit Wenen, maar waren Nederlanders geworden. Ik kwam dus uit een milieu waar het normaal werd gevonden dat je iets ging doen. Ik heb er nooit iets van gemerkt – ook niet op de universiteit – dat het niet gewoon was voor vrouwen om te studeren. In de oorlog was er ook wel wat gebeurd in de wereld, natuurlijk. Qua vrouwenemancipatie, en überhaupt. Ik ben ook heel blij dat mijn dochters werken. Het zijn geen mensen die invloed willen hebben, maar ze hebben gewoon een beroep. Dan heb je volgens mij een leuker leven en een beter huwelijk. Alles wordt er beter van.

Het is me destijds opgevallen dat mijn eigen kinderen me uitlachten bij het idee dat ze in het corps zouden gaan. Ze deden dat ook absoluut niet. Later begreep ik dat in die tijd, de jaren zeventig, Arktos ook een dip had. Ik was blij om dat te merken, want ik dacht dat ik mijn kinderen zo arrogant en geborneerd aan het opvoeden was dat ze dat allemaal beneden hun waardigheid vonden. Maar dat was dus niet zo. Mijn man was jong overleden, een zeilongeluk, en ik voedde mijn kinderen alleen op. Er was mij wel wat aan gelegen om ze netjes groot te brengen. En ik wilde dat ze konden genieten waarvan ik zelf ook had genoten.'


↓↓↓↓↓↓↓

Tekeningen van Arktosieten, gemaakt in 1942:

 

 

 

↓↓↓↓↓↓↓

Gedicht van Annelies (jaar '42):

 

↓↓↓↓↓↓↓

En ook in vredestijd werd er weer gedineerd - ditmaal wat sjieker dan in 1942...